Eerst stel je de passer in.
Beide punten staan dan zover uit elkaar als de straal
van de cirkel. De straal is de helft van de diameter
van de cirkel. En de diameter is de afstand binnen de
cirkel, gemeten door het middelpunt ofwel de langste
afstand binnen de cirkel.
De prikpen zet je stevig vast,
daar waar het middelpunt van de cirkel moet komen.
Vervolgens houd je de tekenpen iets schuin en draai je
een rondje met die pen. De prikpen dient stevig op de
plaats te blijven. Het is goed gegaan als je weer
uitkomt op de plek waar je begon.
Praktische toepassing
De passer kun je natuurlijk
toepassen om cirkels te tekenen. Maar ook kun je een
gelijkbenige driehoek maken omdat je met de passer de
beide benen afpast zodat die even lang worden. Vroeger
werd de passer vooral gebruikt voor het afpassen ofwel
meten van afstanden. Dit gebeurde vooral op zee. De
passer werd zodanig opengezet dat de afstand tussen de
twee pennen gelijk was aan bijvoorbeeld 10 zeemijlen.
Door met een passer te werken met twee prikpennen kun
je dan ‘lopend’ over de beoogde route,
bepalen hoeveel zeemijlen het totaal is. Probeer het
maar eens uit.
Toetswerk
Teken een cirkel met een straal
van 4 cm
Teken een cirkel met een
diameter van 6 cm